De omwalde hoeven van Bazel

Er hebben eens op Bazel twaalf omwalde hoeven gelegen. Sommige liggen er nog, van andere blijven de sporen. Die hoeven werden omwald niet tot afwatering van het terrein maar tot afweer van onverhoedse overvallen van dieren en mensen. Zo wordt de wal van het Hof ter Elst in oude documenten de weerput genaamd. De wallen zijn dan ook minstens 6 meter breed en vrij diep De grond die binnen de wal ligt heet de motte. Hij is doorgaans verhoogd met de grond die bij het aanleggen van de wal werd uitgegraven. Omwalde hoeven zijn de oudste boerenhofsteden. Ze dateren allen uit de middeleeuwen en vele werden door ridders aangelegd. De graven van Vlaanderen en andere grote heren hadden soldaten nodig. Daarom wierven ze sterke kerels aan die zich oefenden in het vechten te voet en te paard. Als die hun bekwaamheid en dapperheid hadden bewezen, werden ze tot ridder geslagen. In de Latijnse teksten van de middeleeuwen vertaalden ze het woord ridder met miles en dat betekent soldaat. Die ridders kregen dan een aantal landerijen in leen waarvan de opbrengst hen toeliet een paard te onderhouden, een uitrusting te betalen en een tijd lang op eigen kosten voor de graaf of hun heer te gaan vechten (E. Warlop : De Vlaamse adel vóór 1300, deel l, p. 105). Maar de landerijen die aan de ridders in leen werden gegeven waren nog onontgonnen. Ze waren één en al wildernis. Het eerste dat diende gedaan te worden was een hoeve aanleggen waar vrouw en kinderen van de ridder konden wonen en ook hijzelf als hij niet ten strijde was opgeroepen. En juist omdat die hoeve in de wijde wildernis lag moest ze ter bescherming worden omgeven met een wal. Eens dat de hoeve was aangelegd begonnen ze de andere verleende gronden te ontginnen en te bebouwen. En natuurlijk werd ook vee gekweekt. Dat alles was het werk van familieleden van de ridder en van horigen die op die gronden misschien al woonden of van elders werden aangetrokken. De ridder zelf werkte niet mee. Hij oefende zich verder in de krijgskunst. Het is mogelijk dat na verloop van tijd op sommige van de omwalde hoeven een klein kasteel, of juister gezegd, een voornaam woonhuis, een herenhuis werd gebouwd. Het is zelfs mogelijk dat hier of daar een kleine burcht werd opgetrokken. Maar of dat werkelijk is gebeurd kan alleen door een bodemonderzoek van de motte bewezen worden. Oorspronkelijk waren de Bazelse omwalde hoeven alleszins hoeven, geen burchten of kastelen. Toen ridder Bertram van Bordebure in 1260 aan de Sint-Bernaardsabdij een partij gronden verkocht, liet hij in de verkoopakte de ligging van die gronden als volgt beschrijven : "gelegen voor mijn huis waarin ik verblijf". Dat huis was het Hof te Borbuer, dat later Oudhof zal heten. Bertram sprak van een huis, niet van een burcht of een kasteel. De meeste Bazelse omwalde hoeven zijn ook altijd hoeven gebleven.

Alleen van het Geelhof en het Nieulandtshof weten we met zekerheid dat na verloop van tijd op de motte een voornaam woonhuis werd gebouwd, dat de naam opperhof kreeg. Het landbouwbedrijf werd toen buiten de wal gelegd en werd neerhof genaamd. Omdat vele ridders een omwalde hoeve hebben aangelegd, daarom hebben niet alle omwalde hoeven hun ontstaan aan een ridder te danken. We hebben ons derhalve twee vragen gesteld: 1. Welke Bazelse omwalde hoeven werden door een ridder aangelegd en welke niet? - 2. Hoe oud zijn die omwalde hoeven dan wel? Om op die vragen een gefundeerd antwoord te geven hebben we alle omwalde hoeven beschreven met ligging, grootte en vorm. We hebben daarbij de oppervlakte vermeld van de leengronden die aan elke hoeve waren verbonden, zoals die staat ingeschreven in de leenboeken van de graven van Vlaanderen. Tenslotte vermelden we de dienst die de leenhouder aan zijn leenheer, de graaf van Vlaanderen, verschuldigd was. Dat laatste punt is bijzonder belangrijk. Verscheidene leenhouders met een hoeve met gronden verdienden hun leen door in tijd van oorlog de graaf "te dienen met eenen paerde van 100 schellingen". Dat betekent dat ze moesten gaan vechten met eigen paard, harnas en wapens, voor de duur die hun 100 schellingen kostte. Een schelling was gelijk aan 12 groten en een groot was een zilveren muntstukje. Die verplichting werd aan de hoeven en bijhorende gronden verbonden toen ze voor 't eerst in leen werden gegeven en ze bleef eraan verbonden. Zij juist bewijst dat die hoeven door ridders werden aangelegd. Voor de ligging en de oppervlakte van de hoeven verwijzen we naar de "Atlas cadastral parcellaire" die in 1859 werd opgemaakt door P.C. Popp. De grote kavels van toen zijn dezelfde gebleven als die van de parochiekaart die in 1688 werd gemaakt. En deze kaart is een vergroting van een andere die in 1638 werd gemaakt door Adriaan vander Hagen. Ze wordt bewaard in het rijksarchief te Beveren. Ook naar die kaart verwijzen we al eens.

1. HET OUDHOF. 
Wat sedert 1589 het Oudhof werd genaamd, heette voordien het Hof te Borbuer en Bordburehof. Het lag in de noordwestelijke hoek van Beekdam en Kemphoekstraat. Het is nu totaal verdwenen. Het omvatte de 34 en 34 bis, 35 en 35bis, 36, 37 en 38 van sectie B, alles samen l ha 17 a 60 ca. A. De Groodt tekende een plattegrond van het hof zoals het was in Zie zijn werk : "De oude hoeven in het Land van Waas" p In 1977 hebben opgravingen de funderingen blootgelegd van een groot rechthoekig gebouw dat dateerde uit de 16de eeuw. Zie in dit tijdschrift 4de jaargang 1979, p Op zijn plattegrond had A. De Groodt de ligging van dat gebouw al aangegeven met een stippellijn, want het metselwerk stak enigzins boven de grond uit. Van 1978 tot 1981 werden door de heer Rudi Van Hove nieuwe opgravingen uitgevoerd op de gronden die tussen dat rechthoekig gebouw en de Kemphoekstraat liggen. De wetenschappelijke beschrijving van wat die opgravingen aan het licht hebben gebracht, kan nog een paar jaar op zich laten wachten. Intussen heeft de opgraver ons welwillend een en ander meegedeeld dat voor ons opzet belangrijk is. Hij is eerst op een cirkelvormige motte gestoten die bewoond werd in de 14de en 15de eeuw. Die motte werd in de 14de eeuw opgeworpen uit zuivere zandleem. Ze heeft een diameter van ongeveer 15 meter en derhalve een oppervlakte van bij de 2 aren. In de eerste helft van de 15de eeuw werd de motte uitgebreid naar het noorden toe. Onder die motte werden sporen gevonden van een nog oudere bewoning, die gesitueerd moet worden in de 12de en 13de eeuw. Op deze laatste motte heeft dan ridder Bertram van Bordebure gewoond, die -zoals we boven schreven - in 1260 een partij gronden verkocht aan de Sint-Bernaardsabdij. Die ridder Bertram staat ook al in 1244 vermeld als leenman van de gravin Margareta van Vlaanderen. Hij is echter niet de eerste bewoner van het hof geweest, aangezien er sporen van bewoning zijn gevonden die dateren uit de 12de eeuw. Aan het Hof te Borbuer - oorspronkelijk een hoeve zoals we boven ook al aanmerkten - was een aantal landerijen.verbonden, een heerlijkheid die later de heerlijkheid van Beaufort zal heten en leenroerig was onder de graaf van Vlaanderen. De landerijen lagen meestal tussen de Barbierbeek enerzijds en de Barbierstraat en Kerkstraat anderzijds, tot iets voorbij de Gauwstraat. Welke dienst de leenman voor zijn leen aan de graaf van Vlaanderen was verschuldigd, is ons onbekend.

Het vroeger omwalde erf bezat tot in 1946 een monumentaal rechthoekige poortgebouw onder zadeldak, met een brede spitsbogige doorgang. Achter het erf met recente stallingen ligt nog een omwalde motte (thans boomgaard), naar verluidt, overblijfsel van het middeleeuws kasteel van de heerlijkheid Gheelhauts.

2. HET GEELHOF                                                                                                                                     We weten het allen liggen, achteraan in de Kerkstraat. De naam verscheen pas in documenten van het einde van de 18de eeuw. Voordien schreven ze 't Hof te Ghellouds en Gheelhauts, zeer waarschijnlijk de naam van een vroegere bewoner. De cirkelvormige motte ligt nog bijna volledig in het water ; ze is nu een boomgaard. Op het plan van P.C. Popp draagt ze nr 9O3 sectie A. Ze heeft een oppervlakte van 11 a 90 ca. Aan de oorspronkelijke cirkelvormige wal is later een grote watervergaarbak toegevoegd. Het hele watervlak beslaat nu 78 a 50 ca. Op het plan Popp nr De motte was oorspronkelijk een hoeve. Later werd er een voorname herewoning gebouwd waarvan de funderingen nog in de grond blijken te zitten. Het landbouwbedrijf werd toen buiten de wal gelegd. De herewoning werd het opperhof en het landbouwbedrijf het neerhof genaamd. De landerijen die aan de hoeve waren verbonden, werden al vóór 1320 opgesplitst in twee lenen : de heerlijkheid Gheelhauts en het leen Te Billioen, lijkt wel de naam te zijn geweest van het oorspronkelijk geheel. De heerlijkheid Gheelhauts bedroeg minstens 54 bunder, het leen Te billioen 18 bunder, samen 72 bunder of 95 hectaren. Beide lenen waren rechtstreeks leenroerig onder de graaf van Vlaanderen en beide leenmannen waren in oorlogstijd aan de graaf een paarddienst van 100 schellingen verschuldigd. Hof en heerlijkheid Gheelhauts werden in 1320 in leen gehouden door Heinric de Vos, in 1365 en 1383 door Jan Radewart, in 1435 door Heinric van Bortbure, allen leden van riddermatige geslachten.

3. HET HOF TER ELST                                                                                                                      Het Hof ter Elst ligt bij de grens van Haasdonk. Men bereikt het gaande van het Geelhof langs de Oude Kerkstraat en de dam die vandaar naar het hof leidt. Op het plan van P.C. Popp draagt de wal nr van sectie A en heeft een oppervlakte van 21 a 80 ca. De motte draagt de nrs. 1666, 1667 en 1668, die samen 63 a 70 ca bedragen. Het geheel is bijna cirkelvormig. Het Noordelijk deel van de wal werd afgesneden bij de aanleg van de E3. Het hof is altijd hoeve geweest en is het nog, al werd er op zeker tijdstip een herenwoning bijgebouwd. In de vooruitspringende wal, rechts bij de ingang, blijken grondvesten te zitten van een ronde toren. De landerijen die vroeger aan de hoeve waren verbonden besloegen ruim 30 bunder of 40 hectaren. Ze lagen deels op Bazel deels op Haasdonk. Ze vormden met de hoeve een heerlijkheid die rechtstreeks leenroerig was onder de graaf van Vlaanderen. In tijd van oorlog was de leenman voor zijn leen aan de graaf een paarddienst van 100 schellingen verschuldigd. In 1320 werd de heerlijkheid in leen gehouden door jonkvrouw Margriet van Bordebure, kleindochter van ridder Bertram van Bordebure ; in 1365 door Sander Radewart, in 1383 door Jan Radewart, in 1425 door Pieter Couthals die in 1429 als schildknaap staat vermeld. Ze behoorden allen tot riddermatige geslachten.

4. HET NIEULANDTSHOF.                                                                                                                   Het hof wordt zo genaamd naar jonker Frederik Nieulandt die in 1638 ervan eigenaar was. Men bereikt het langs de dam, de Nieulandtsdam, die vertrekt aan de Kinderstraat. Het hele hof bestaat uit de nrs. 457, 458 en 459 van de sectie A. Nr. 457 is de oude motte, een trapeziumvormig perceel dat 13 a 50 ca meet. Het is nu een boomgaard. De wal is gedempt op één stuk na en dat stuk getuigt hoe diep hij was. Oorspronkelijk stond op de motte een hoeve. Later werd er een herenwoning gebouwd waarvan nog een stukje te zien is op een fragment van de parochie-kaart van 1688 (iemand heeft later daar verkeerdelijk "Sparrenhof" bijgeschreven). Het landbouwbedrijf werd toen buiten de wal gelegd, aan de zuidwestkant ervan en het ligt er nog in de vermelde nummers 458 en 459 sectie A, samen 22 a 80 ca. Het landbouwbedrijf werd echter ook omwald met een kleinere wal die gedeeltelijk nog bestaat. De herenwoning op de motte kreeg de naam van opperhof en het landbouwbedrijf heette neerhof ; het ligt inderdaad ook lager dan het eerste. Het hof en de landerijen die eraan verbonden waren hadden samen een oppervlakte van 8 bunder of ruim 10 hectaren. Ze werden rechtstreeks in leen gehouden van de graaf van Vlaanderen. In tijd van oorlog moest de leenman 14 nachten lang op eigen kosten het kasteel van Rupelmonde helpen verdedigen.

5. HET DIERIKSHOF
Het Dierikshof lag aan het einde van de Dieriksdam, de dam die bij Sint- Pietersdoorn vertrekt aan de Kinderstraat. Het hof is al lang verdwenen. Al in 1638 schreven ze : "Diericxdamwijck nr. 102 is d'motken groot 306 roeden zijn gelijk aan 45 aren". Motte en wal waren oorspronkelijk cirkelvormig zoals blijkt uit een luchtfoto die genomen werd enkele jaren geleden. Op het plan van P.C. Popp draagt de grond ervan nr. 453 sectie A, die een oppervlakte heeft van 41 a 50 ca. Van de wal bestaat nog een stuk dat op sommige plaatsen meer dan 6 meter breed is. De bewoners van de omgeving noemen het perceel de kasteelakker. Een kasteel heeft er nooit gestaan. Het was eens een omwalde hoeve waaraan 18 bunder of 24 hectaren grond waren verbonden. Ze vormden samen de heerlijkheid Ten Dorent en ter Scharen, die rechtstreeks in leen werd gehouden van de graaf van Vlaanderen. De Leenman was de graaf volgende diensten verschuldigd : in tijd van oorlog op eigen kosten 14 dagen lang het kasteel van Rupelmonde helpen verdedigen en verder gevangenen opleiden en boodschappen overbrengen naar Tielrode In 1320 en 1365 werd het leen gehouden door Heinric van den Bossche,in 1383 door Dieric van den Bossche. Naar deze laatste werd de dam genaamd die naar het hof leidde. Naar dezelfde Dieric hebben wij het hof Dierikshof gedoopt.

6. HET DIERIKSHOF
Tot vóór enkele jaren was dat hof nog een omwalde hoeve, nu is het een omwalde weide, gelegen bij de zuidwestelijke hoek van Haagstraat en Bramensdam, op enkele meters van de grens van Temse. Op het plan van P.C. Popp draagt de wal nr en de motte de nrs. 1352, 1353, 1354 en 1355 van sectie A. Het geheel is rechthoekig en meet 34 a 70 ca. de wal is ongeveer 5 meter breed. In vroegere tijden waren aan de hoeve 13 bunder 200 roeden of ruim 17 ha landerijen verbonden. Hoeve en landerijen waren niet rechtstreeks leenroerig onder de graaf van Vlaanderen, maar onder heer van Cauwerburch te Temse. Het geheel staat als 't Goed ter Hagen vermeld in een verpachtingsakte van Het staat ook zo vermeld in het renteboek van 1448 van de abdij Roosenberg te Waasmunster. De abdij bezat op het goed een erfelijke rente van jaarlijks 15 viertelen tarwe (l vierteel = 18 liter). In dat jaar 1448 werd die tarwe nog geleverd door Symoen Spruyt die in 1430 tijdens een vechtpartij vader en zoon Herweyers neersloeg (Zie ons werk "Bazel in Waas" p. 67). HK De omwalde hoeven van Bazel 5

7. HET HOF TE COOLHEM. Men bereikt het hof langs een dam die aan de Heirstraat vertrekt neven Het Wit Huisken. De wal was rechthoekig met een uitsprong aan de zuidkant en boogvormig aan de westkant. Er blijven maar enkele stukken meer van over. De motte (waarin nu meer dan de helft van de oorspronkelijke wal is inbegrepen) draagt op het plan P.C. Popp de nrs en 1328, 1330, 1331 en 1332 sectie A, samen een oppervlakte van l ha 65 a 80 ca. Vorm en oppervlakte van het hof wijzen erop dat het moet aangelegd zijn vóór de riddertijd. In de Gallo-Romeinse tijd? In 1468 waren aan het hof 70 bunder of 93 ha landerijen verbonden, die de heerlijkheid Coolhem vormden, een heerlijkheid die leenroerig was onder Cauwerburch te Temse. Ze werd toen in leen gehouden door Roeland van der Moere, een notaris te Antwerpen, in 1481 door zijn dochter Lijsbet. Het hof te Coolhem werd in diezelfde jaren gepacht door Pieter Bertram, een zoon van de schildknaap Gillis Bertram. Die Pieter pachtte in 1462 ook de tol van Rupelmonde. In 1468 en nog in 1480 was hij schepen van Bazel. Het hof te Coolhem is dus kennelijk altijd hoeve gebleven, maar de boer was lange tijd een hereboer.

8. HET VERZONKEN HOF.                                                                                                                 Het Verzonken Hof is een volkse benaming van het gewezen Hof ten Dorent onder de Pereboom. In 1531 bestond het nog. Livina van Steenlandt, weduwe van Lieven van Pottelsberghe, verbleef er nog verscheidene jaren na de dood van haar man in In 1638 waren de gebouwen al afgebroken. Het hof besloeg een deel van de kavel nr. 95 van de Eerste Kraakwijk, die 3 gemeten 247 roeden of ongeveer l ha 68 a groot was (parochiekaart van 1638). Op de kaart van de Ferraris ( ) staat op die kavel een ovale motte getekend. Op het plan van P.C. Popp is die kavel verdeeld in drie nummers : 1206, 1207 en 1208 sectie A. Nr is een rechthoekig perceel, gelegen aan de noordoostkant van het geheel, op een gelijke afstand van de noordwest- en oostzuidkant. Binnen het rechthoekig perceel staat deze tekst : "De wallen, afgebroken kasteel". Het is 55 a 40 ca groot. Het nr zijn de overblijfsels van de wal die 12 a 12 ca bedragen. Men bereikt het geheel van de drie nummers langs de Blauwhofstraat, die in de verlenging van de Kraakstraat ligt. Voorbij de laatste hofstede aan de Blauwhofstraat vertrekt rechts een aarden weg, de Nieuwe Dam. Ongeveer halfweg maakt die dam een drievoudige hoekse zwenking. In de hoek van de eerste en de tweede zwenking ligt de grote kavel Eerste Kraakwijk nr. 95 (parochie-kaart 1638) die in 1860 over drie nummers ligt verdeeld. In 1320 waren aan het Hof ten Dorent onder de Pereboom 40 bunder of 53 hectaren landerijen verbonden, alles samen een heerlijkheid die rechtstreeks leenroerig was onder de graaf van Vlaanderen. In oorlogstijd was de heer aan de graaf een paarddienst van 100 schellingen verschuldigd. In 1320 werd de heerlijkheid in leen gehouden door de schildknaap Jan Haward, baljuw van Waas ; in 1365 door Filips van Couderborch, in 1383 door jonkvrouw Marie Gheeraerdsdochter Van Gistel, in 1468 door jonkvrouw Margriet Vijds, die allen tot riddermatige geslachten behoorden. Oorspronkelijk is het hof zeker een hoeve geweest. Dat er later minstens een voornaam woonhuis werd gebouwd blijkt uit het feit dat Livina van Steenlandt er na 1531 nog verscheidene jaren verblijf hield. Of er ooit een soort burcht of kasteel heeft gestaan blijft een open vraag.

De volkse benaming Verzonken Hof vonden we op een kaart die bewaard wordt in de pastorie. Diezelfde benaming werd eens door het volk gegeven aan het verdwenen kasteel van Beveren op de Singelberg. De heren van dat kasteel, zo luidt de legende, waren berucht voor hun zondig leven. Op zekere nacht, terwijl ze aan het feesten waren, wentelde het kasteel zich om en verzonk onderste boven in de grond. Zouden ze te Bazel over het Hof ten Dorent ook zo iets verteld hebben?

9. HOF TER MEIRE.                                                                                                                              Die naam werd onlangs gegeven aan de omwalde hoeve die aan de Breestraat nr. 4 ligt. Op het plan van P.C. Popp draagt de wal nr. 641 en de motte de nrs. 642, 643 en 644 sectie C. De motte heeft een oppervlakte van 54 a 20 ca ; de wal beslaat 20 a 30 ca. Wal en motte zijn bijna driehoekig ; de noordwestelijke hoek is afgeknot door een kortere vierde zijde. De breedte van de wal verschilt van plaats tot plaats naargelang hij minder of meer werd aangevuld. Aan de noordwestelijke zijde - de kleine vierde zijde - is hij nog ongeveer 10 meter breed, ofschoon hij ook al aan die zijde iets werd aangevuld. Aan de hoeve waren 13 bunder of 17 hectaren landerijen verbonden, alles leenroerig onder de graaf van Vlaanderen. In tijd van oorlog was de leenman aan de graaf een paarddienst van 100 schellingen verschuldigd. In ons werk "Bazel in Waas" hebben we die hoeve de Vijthoeve genaamd omdat ze bijna drie eeuwen lang werd bewoond door de familie Vijt. In 1320 werden hoeve en bijhorende landerijen in leen gehouden door Cateline Gillis Inghels dochter, die getrouwd was met Nicolaus Davijdts, naam die later werd verkort tot Vijdt en Vijt. In 1435 werd het leen gehouden door Jan Vijt Gillisz, die in 1429 als schildknaap staat vermeld in een lijst van "edellieden van wapene ende geborte".
                                                                                                                                                                10. DE PASTORIE.                                                                                                                               De pastorie was vanaf haar aanleg omgeven door een brede trapeziumvormige wal. Het zuidelijk deel ervan liep over de halve breedte en de hele lengte van het huidige dorpsplein. Het oostelijke deel, aan de Kruibekestraat, strekte tot bij de huidige elektriciteitskabine. Iets zuidwaarts tegenover de Plezantstraat lag een brug die toegang tot de motte verleende. De wal had een oppervlakte van 14 a 40 ca, de motte van 23 a 2O ca. In 1856 zijn ze begonnen geleidelijk de wal te dempen. Oorspronkelijk waren aan de pastorie 35 bunder of ruim 46 hectaren landerijen verbonden, die met de pastorie de heerlijkheid Priesteragiedam uitmaakten en waarvan de pastor de heer was. Die heerlijkheid was grotendeels uit de heerlijkheid Barsele (later Wissekerke) gesneden. Ze werd nadien door een heer van Barsele opnieuw ingepalmd.

NOG TWEE HOFSTEDEN IN DE BREESTRAAT.                                                                        Links vooraan in de Breestraat ligt een hofstede en daartegenover (na de zwenking van de straat) nog een andere die beide eens volledig omwald waren. Van de wallen blijven nu maar enkele stukken meer over. Aan geen van beide hofsteden zijn ooit leengronden verbonden geweest. Ze moeten zijn aangelegd door voorname boeren, hereboeren. De eerste werd eens bewoond door Mathijs van der Heyden die met zijn vrouw Lijsbet van Kerckhove in 1410 de zondagse vroegmis stichtte in de kerk van Bazel. Mogelijk werd die hofstede aangelegd en omwald door de familie van der Heyden. Wat kunnen we uit al die gegevens over de Bazelse omwalde hoeven besluiten?

1. We telden 4 omwalde hoeven waarvan de leenhouders in tijd van oorlog aan de graaf van Vlaanderen een paarddienst van 100 schellingen waren verschuldigd het Geelhof, het Hof ter Elst, het Verzonken Hof(Hof ten Dorent) en het Hof ter Meire. Zoals we schreven in de inleiding is die paarddienst het bewijs dat die hoeven door een ridder zijn aangelegd. Boerenzonen die om hun bekwaamheid en dapperheid tot ridder werden bevorderd, kregen van de graaf van Vlaanderen een aantal landerijen in leen waarvan de opbrengst hen in staat zou stellen op eigen kosten voor de graaf een lange tijd te gaan vechten. En het eerste dat die ridders deden was op die landerijen een hoeve aanleggen. Van die eerste ridders gingen hoeven en landerijen met dezelfde verplichting over op andere ridders, dikwijls van vader op zoon of van een familielid op een ander familielid. Zo werden die hoeven en landerijen meer dan 300 jaar lang in leen gehouden door ridders of leden van riddermatige geslachten zoals we konden nagaan in de beschrijving van de hoeven. Daarom bewoonden die ridders niet altijd zelf die hoeven. Ze gaven ze wel eens in pacht aan anderen. Aan de vier voornoemde hoeven mogen we het Oudhof of het Hof te Borbuer toevoegen dat in indien al niet in bewoond werd door ridder Bertram van Bordebure. Zodat er 5 Bazelse omwalde hoeven hun bestaan aan een ridder hebben te danken. Maar denk eraan : die eerste ridders waren geen fijne, keurig uitgedoste heren. Het waren stevige boerenzonen die goed konden vechten!
                           
2. Wie het Dierikshof en het Nieulandtshof in leen hadden moesten in tijd van oorlog op eigen kosten 14 dagen lang het kasteel van Rupelmonde helpen verdedigen. Wie het Dierikshof in leen hield moest bovendien gevangenen opleiden en boodschappen overbrengen tot in Tielrode. Die hoeven zijn dan niet door ridders aangelegd, maar waarschijnlijk door hereboeren of leden van riddermatige families. Alleen zulke mensen kwamen in die tijd voor dergelijke functies in aanmerking.
                              
3. Het Hof te Coolhem werd waarschijnlijk wel door een ridder opnieuw in gebruik genomen en heringericht, gezien de uitgestrekte landerijen - 70 bunder of 93 ha - die eraan verbonden waren. Hetzelfde kan misschien ook van het Hof ter Hagen worden gezegd, alhoewel we hier beter aan een hereboer denken.
                                                                                                                                                                 4. Blijven nog de pastorie en de twee omwalde hoeven in de Breestraat. Ze werden zeker niet door ridders aangelegd om de redenen die we in de beschrijving hebben aangegeven.

5. En dan de vraag : hoe oud zijn die omwalde hoeven? Bij de opgravingen op het Oudhof werden sporen van bewoning gevonden die dateren uit de 12de eeuw. Wij menen dat Geelhof, Hof ter Elst of Verzonken Hof en Hof ter Meire ongeveer even oud zijn als het Oudhof. Van het Dierikshof en van het Nieulandtshof wordt immers gezegd dat ze met hun bijhorende gronden in leen werden gegeven om de verdediging van het kasteel van Rupelmonde te verzekeren. Dat kasteel, aanvankelijk niet groot, werd in 1226 op last van gravin Margareta van Vlaanderen herbouwd en vergroot. Wij mogen aannemen dat de twee voornoemde hoven met hun gronden ter dier gelegenheid voor het eerst in leen werden gegeven. Zij zouden dan dateren van omstreeks De ligging nu van Geelhof en Hof ter Elst bij de Barbierbeek wijst erop dat zij ouder zijn dan Dierikshof en Nieulandtshof. Zo mogen we besluiten dat Geelhof en Hof ter Elst evenals het Oudhof in de 12de eeuw werden aangelegd. Allicht ook het Verzonken Hof en het Hof ter Meire.

6. Alle omwalde hoeven van Bazel werden met hun bijhorende gronden uit de wildernis gesneden. Die wildernis veranderde daarop spoedig van uitzicht. De leenmannen van de hoeven, ridders of niet, zetten hun kinderen en horigen aan het werk om de gronden te ontginnen en te bezaaien. Dat deden ook de heren van Barsele (later Wissekerke) met hun horigen op hun gronden. Zo luidde het aanleggen van de omwalde hoeven een nieuw tijdperk in van de Bazelse geschiedenis : een stelselmatige ontginning van de wildernis.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten